Dierentuin redde kunstenaar Kaas

De Artisdieren van Jaap Kaas

standbeelden Jaap Kaas Foto: Lida Goede

Eddy van Amerongen (1912-1992) publiceerde in het Nieuw Israelietisch Weekblad zijn herinneringen aan het vooroorlogse Joodse Amsterdam. Uitgebreid komt Artis ter sprake. Artis was de tuin van de Joodse burgerij, schreef hij, niet hun dierentuin. Hier wandelden 'de Amsterdamse Joden langs de grasperken met hun mooie bloemen, maar wierpen nauwelijks een blik op de levende have'. Het was hun soci√ęteit, ze zaten er en 'gebruikten heerlijk ijs of koffie met room'. Behalve de schrijver Siegfried van Praag en de beeldhouwer Jaap Kaas kon hij zich 'nauwelijks nog iemand herinneren die werkelijk interesse voor dieren toonde'.

Maar Jaap Kaas (1898-1972) had daar heel veel belangstelling voor, opgedaan in Antwerpen, waar het gezin Kaas in 1900 naar toe was verhuisd. Vader Kaas, oorspronkelijk diamantbewerker, probeerde daar in de handel wat te verdienen. Ondertussen wandelde Jaap graag door de dierentuin. En hij ging, meldt zijn biograaf Jan Teeuwisse, al op twaalfjarige leeftijd naar de Koninklijke Academie van Schoone Kunsten. Die verruilde hij in 1914 - vanwege de oorlog ging het gezin terug naar Amsterdam - voor de Rijksakademie van Beeldende Kunsten, zoals hij de Zoo van Antwerpen verruilde voor Artis. En hij ging er, zeventien jaar oud, vlakbij wonen: op een zolder van de diamantfabriek Van Moppes aan de Plantage Middenlaan.

Die rijksacademie verliet hij in 1920. Wat volgde was een zwaar bestaan. Een uitkomst bood het gemeentelijk steunkrediet, een potje waaruit beeldhouwers betaald werden in ruil voor 'anoniem beeldhouwwerk'. Het ging vooral om sierelementen aan woonblokken, bruggen en dergelijke, maar hij heeft ook een beeldengroep gemaakt die op de binnenplaats van het stadhuis heeft gestaan.

Zijn vrije werk, niet alleen beelden maar ook tekeningen, maakte hij tientallen jaren in Artis. Een mantelbaviaan, een mandril, een hangbuikzwijn, een leeuw, een tijger en nog een heleboel andere beesten, waarvan er enkele nog in de dierentuin zijn. Kaas was er kind aan huis, hij raakte bevriend met de oppassers, liep er in dezelfde overalls als zij. Hij kreeg er, bij de zebra's, een eigen atelier. Als er een herinneringstegel of een diploma moest worden gemaakt voor het Artispersoneel was Kaas nooit te beroerd.

Vanaf 1936 ging het hem financieel beter, hij werd docent aan de Kunstnijverheidsschool. Hij was inmiddels gescheiden van zijn eerste vrouw, Elisabeth de Mooij. Die publiceerde onder de naam Eva Raedt-de Canter romans die volgens de katholieke recensiedienst verwerpelijk waren wegens 'haar antichristelijke exaltatie van de vrije liefde en de bandeloze zinnelijkheid', maar dit terzijde. Kaas hertrouwde en had weer zin in het leven, maar toen brak de oorlog uit. Joodse leerlingen moesten gescheiden worden van niet-Joodse en Kaas werd directeur van de Middelbare Joodse Kunstnijverheidschool. Die instelling was door de deportaties in 1943 overbodig geworden. Kaas en zijn vrouw doken onder.

Na de oorlog kreeg hij nog diverse opdrachten en hij doceerde weer. Maar als figuratief beeldhouwer had hij de wind niet mee. Er brak een stromingenstrijd uit binnen de Nederlandse Kring van Beeldhouwers, waarna Kaas in een isolement raakte. Zijn biograaf: 'Als een solitair leefde hij de laatste tien jaar van zijn leven, bouwend en schavend aan de beelden die niemand te zien kreeg. Toen hij op 74-jarige leeftijd overleed, was hij, als mens en als kunstenaar, in de vergetelheid geraakt.'

11 oktober 2010

Streetview