'Er worden zelfs weer sokken gestopt'

Fournituren Jan de Grote Kleinvakman

buurtwinkels Fournituren Jan de Grote Kleinvakman Foto: Peter Schrijnders

De grootvader van Mark Vos (1969) trok hoeden in een kelder in de Zocherstraat. Hoeden maak je niet, je trekt ze. Zijn zoon Henny hielp hem daarbij en zijn vrouw en schoondochter decoreerden het resultaat. De hoeden werden aan winkeliers geleverd, maar het was toch vooral Henny die ze sleet, op de Albert Cuypmarkt.

Er kwam een beetje de klad in de hoeden en Henny besloot rond 1967 met mede­markt­koop­man Jan van Erkel in de fournituren te gaan. Henny de Grote Kleinvakman, dat klonk niet. Dus werd het Jan de Grote Kleinvakman, Albert Cuypstraat 203. De zaak heeft nog een paar filialen gehad, maar inmiddels is er één vestiging, onder leiding van Henny's zoon Mark. Maar Henny houdt de zaak in de gaten en doet nog voor een deel de inkoop.

Fournituren zijn biesjes, bandjes, applicaties, ruitjes, roosjes, belletjes, stripjes, lintjes, knopen, ritsen, naalden en wat verder maar aan kleren vast te maken valt. En stoffen zijn er ook en feestelijke maskertjes. Eén van de duurste artikelen is een boa van honderd euro en voor een cent of vijf heb je een drukknoopje.

"Hoeveel artikelen voer je, Mark?"
"Geen idee."
"Drieduizend?"
"Veel meer."

Ze zijn bezig met een website, maar ze hikken er enigszins tegenaan: hoeveel uit de winkel kun je erop kwijt? Aan de knopen komt geen einde. "Mijn vader is knopoloog, daar heeft hij plezier in. Koopt hij graag in. Mijn kleinkinderen kunnen nog uit de voorraad van nu verkopen." Andersom verkoopt hij nu nog uit een voorraad drukknoopjes voor babyjumpertjes. "Die moeten we een jaar of veertig geleden nogal massaal hebben ingekocht."

Is Mark zelf een beetje bedreven met naald en draad? "Ik kan een beetje breien, een beetje naaien en een knoop vastzetten. Maar verder kan ik heel weinig." Het is hem niet aan te rekenen, legt hij uit. Hij zat op de Anne Frankschool en daar heerste de feministische geest van de jaren zeventig. "De jongens kregen handwerken en de meisjes handenarbeid. Andersom dan gebruikelijk. Maar de handwerkjuf meende dat ik, als zoon van een fourniturenwinkelier, dat naaien en zo al wel zou kunnen. En dus deed ik met de meisjes mee aan handenarbeid."

"Er komen meer vrouwen dan mannen in de zaak, maar niet zo heel veel meer. 55 tegen 45 procent, denk ik. Veel jongeren van de modeopleidingen ook. En opvallend, van die groep zie je de jongens langer komen dan de meisjes. De jongens gaan er kennelijk vaker in door, meer meisjes vallen af."

Mark heeft plezier in zijn winkel. "Mijn vader is meer een marktkoopman, lekker buiten staan, korte gesprekken. Ik ben echt een binnenman. Ik hou van het decor van zo'n zaak."

Hij is een heel grote op zijn gebied. Concurrentie heeft hij nauwelijks in de stad, maar dat houdt ook in dat nee verkopen bijna pijnlijk is. "Mijn eerste nee is gratis," zegt hij, met een vanzelfsprekendheid alsof het ook echt iets betekent. De zaken gaan prima. "Mijn vader zegt altijd: 'Als het slecht gaat met de economie, gaat het goed met ons.' En zo is het ook, mensen repareren zelf weer kleren, de elleboogstukjes vliegen weg. Er worden zelfs weer sokken gestopt."

"We doen het voor de lol," is zijn uitgangs­punt, dat moet het personeel ook zo voelen en dan hebben de klanten er plezier in. Mooie momenten: iets hebben waarvan de klant denkt dat hij het nooit meer kan vinden.

"Heeft u een frivolitéspoeltje?
"Ja zeker heb ik dat."

2010